De Weimarse Staande Hond

 
 

De rasstandaard


 

26.05.2015 / DE

FCI-Standard Nr 99

 

WEIMARANER

 

(Vertaling: Mr. J.A.M. Deckers)

 

LAND VAN OORSPRONG: Duitsland.

 

PUBLICATIEDATUM VAN DE GELDIGE ORIGINELE RASSTANDAARD:

19.03.2015.

 

GEBRUIK: In overeenstemming met het doel als een veelzijdig bruikbare jachthond moet de Weimaraner over de van hem vereiste aanleg beschikken en als jachthond

ingezet kunnen worden in het veld, bos en water en gebruikt kunnen worden bij zowel

het werk voor als na het schot.

 

CLASSIFICATIE F.C.I. : Groep 7 Staande Honden. Sectie 1.1 Continentale Voorstaande Honden, Type « Braque ». Met werkproeven.

 

KORT GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT : Over het ontstaan van de Weimarse Staande Hond zijn talrijke theorieėn ontwikkeld. Vast staat slechts, dat de Weimaraner, die destijds nog zeer veel bloed van de Leithund bezat, al in het eerste derde deel van de 19e eeuw

aan het Hof van Weimar gehouden werd. In het midden van de 19e eeuw, dus voordat met de zuivere fokkerij werd begonnen, was de fokkerij bijna uitsluitend in handen van beroepsjagers

en jachtopzichters in midden-Duitsland, vooral in de omgeving van Weimar en Thüringen, die meestal alleen op werkeigenschappen selecteerden. Toen de tijd voor de Leithund voorbij

was, kruisten zij hun honden met ook met Hoender honden en fokten zij met

deze kruisingen verder. Vanaf ongeveer 1890 werd met het ras planmatig gefokt

en werden de fokdieren en hun nakomelingen in het stamboek opgetekend.

Naast de kortharige variėteit kwam reeds voor de eeuwwisseling naar de 20e eeuw, zij

het sporadisch, ook al een langharige variėteit voor. De Weimaraner wordt sinds hij opgenomen is in het stamboek zuiver gefokt en is dus vrij van inkruisingen met andere rassen, in het bijzonder de Pointer, gebleven. Daarmee is de Weimaraner het oudste Duitse

Staande Hondenras, dat sinds 1900 zuiver gefokt wordt.

 

ALGEMEEN VOORKOMEN :

Middelgrote tot grote Jachtgebruikshond. Doelmatig werktype, mooi van uiterlijk, pezig en goed bespierd. Er moet duidelijk verschil zijn tussen het type van de reu en van de teef.

 

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN :

Verhouding lengte van de romp tot schofthoogte ongeveer 12 : 11.

Verhouding van het hoofd : van neuspunt tot aanvang schedel iets langer dan van aanvang schedel tot achterhoofdsknobbel.

Voorhand : Afstand tussen de elleboog en het midden van de middelvoetsbeentjes is nagenoeg gelijk aan de afstand tussen de elleboog en de schoft.

 

GEDRAG / TEMPERAMENT :

Veelzijdige, gemakkelijk af te richten, karaktervaste en gepassioneerde jachtgebruikshond,

die systematisch en volhardend zoekt, echter niet overdreven temperamentvol. Opvallend goede neus. Rooftuig- en wildscherp, waakzaam, maar niet agressief. Betrouwbaar bij het vorstaan en bij het waterwerk. Opvallende aanleg voor het werk na het schot.

 

HOOFD

 

BOVENZIJDE :

Schedel : In harmonie met de lichaamsgrootte en het aangezicht. Bij reuen breder dan bij teven, echter bij beiden in verhouding. Breedte van het hoofd moet in goede verhouding zijn met de lengte van het hoofd. Op het midden van de schedel een verdieping.

Achterhoofdsknobbel licht tot matig zichtbaar. Achter de ogen een goed zichtbaar jukbeen.

Stop : Uiterst geringe stop.

 

AANGEZICHT :

Neus : Fors, steekt voor de onderkaak uit. Donkervleeskleurig, naar achteren geleidelijk overgaand in grijs.

Vang : Lang en in het bijzonder bij reuen krachtig, en profiel bijna vierkant. De vang en de omgeving van de hoektand bijna even breed (sterk).

Neusrug recht, of iets gewelfd, doch nooit naar onderen doorgebogen.

Lippen : Matig overvallend; deze evenals gehemelte vleeskleurig. Kleine mond vouw.

Kaak / Gebit : Kaak krachtig. Volledig, regelmatig en krachtig gebit. Bovensnijtanden staan zonder tussenruimte voor ondersnijtanden (schaargebit).

Bakken : Gespierd en duidelijk ontwikkeld. « Droog hoofd ».

Ogen : Donker tot licht barnsteenkleurig, met intelligente uitdrukking. Als pup hemelsblauw. Rond, nauwelijks scheefstaand. Goed aanliggende oogleden.

Behang : Breed, tamelijk lang, ongeveer reikend tot de mondhoek, spits aan de onderzijde afgerond, hoog en smal aangezet. Bij oplettendheid iets naar voren gedraaid en gevouwen.

 

HALS :

Gespierde, nagenoeg ronde edel gedragen hals, die niet te kort is.

Bovenlijn gebogen en profiel. Droge hals. Steviger wordend naar de schouder en harmonisch overgaand in borst en ruglijn.

 

LICHAAM :

Boven belijning : Van de gebogen halsbelijning, over de goed ontwikkelde schoft gaat de bovenbelijning geleidelijk over in de relatief lange vaste rug.

Schoft : Goed ontwikkeld.

Rug : Vast en bespierd, zonder doorgezakt te zijn. Achter niet overbouwd. Een wat langere rug is een raskenmerk en daardoor geen fout.

Croupe : Bekken lang en matig aflopend.

Borst : krachtig, niet overdreven breed, met voldoende diepte - bijna tot de elleboog reikend - en voldoende lengte, Gewelfd, zonder tonvormig te zijn, met lange ribben. Voorborst goed ontwikkeld.

Onderbelijning en buik : Licht oplopend, echter geen opgetrokken buik.

 

STAART : Staartaanzet enigszins lager en onder de rugbelijning dan bij vergelijkbare rassen. Staart is krachtig en goed behaard. In rust hangend, bij opmerkzaamheid en tijdens het werk horizontaal en hoger gedragen.

In landen alwaar het wettelijk is toegestaan om de staart te couperen mag de staart bij  korthaar Weimaraner, voor zover doelmatig voor het jachtgebruik, gecoupeerd worden.

 

BENEN :

 

VOORHAND :

Algemeen : Benen « Hoog » pezig, recht en parallel, maar niet breed staand.

Schouders : Goed gehoekt, lang, schuin en goed aanliggend, door sterke spieren verbonden. Opperarm : Schuin gesteld, sterk en van voldoende lengte.

Ellebogen : Vrij en recht gelegen. Niet naar binnen, noch baar buiten gedraaid.

Onderarm : Lang recht gesteld.

Voorvoetgewricht : Krachtig, strak.

Voormiddelvoet : Pezig, schuin gesteld.

Voorpoten : Krachtig. Recht onder het lichaam staand. Tenen gebogen en gesloten tegen  elkaar liggend. Langere middelste tenen zijn kenmerkend voor het ras en daardoor niet als fout te beschouwen. Nagels licht- tot donkergrijs. Zoolballen ruw en goed gepigmenteerd.

 

ACHTERHAND :

Algemeen : Benen « hoog », pezig en goed bespierd, evenwijdig, Parallel gesteld, niet naar binnen noch naar buiten gedraaid.

Bovenschenkel : Van voldoende lengte, krachtig en goed bespierd.

Kniegewricht : Krachtig en vast.

Onderschenkel : Lang, met duidelijk zichtbare pezen.

Spronggewricht : Krachtig en vast.

Achtermiddelvoet : Pezig, bijna verticaal in positie staand.

Achterpoten : Krachtig en compact, zonder wolfsklauwen. Verder zoals de voorpoten.

 

GANGWERK : Gangwerk is in alle tempo’s uitgrijpend en vloeiend. Bij het gaan voorbenen duidelijk parallel met de achterbenen. In galop lang en vlak. In draf blijft de rug recht. Telgang is ongewenst.

 

HUID :

Sterk. Goed aanliggend, maar niet te strak.

 

HAARKLEED

BEHARING :

Korthaar : Kort (maar langer en dichter dan bij de meeste vergelijkbare hondenrassen) sterke, zeer dichte, glad aanliggend dekhaar. Zonder of met geringe onderwol.

Langhaar : Zacht, lang dekhaar met of zonder onderwol. Glad of licht gegolfd. Beharing aan de ooraanzet lang erover vallend. Aan de oorpunten is fluweelachtige beharing toegestaan. Lengte van de beharing aan de flanken 3 - 5 cm, aan de onderzijde van de nek, de voorborst en de buik doorgaans iets langer. Goede bevedering en broek, echter naar onderen toe minder lang. Staart met goede pluim. Tussen de tenen behaard. Beharing aan het hoofd minder lang.

Een stockhaarachtige beharing met middellang dicht aanliggend dekhaar, dichte onderwol

en matig ontwikkelde bevedering en broek komt soms voor bij honden met voorouders uit kort- en langhaar.

Kleur : Zilver-, ree- of muisgrijs alsmede overgangen tussen deze tinten. Hoofd en behang meestal iets lichter. Een geringe witte aftekening is alleen op de borst of aan de tenen toegestaan. Soms komt een meer of minder uitgesproken donkere « aalstreep » over

het midden van de rug voor.

 

GROOTTE EN GEWICHT :

Schofthoogte :

Reuen : 59 tot 70 cm

Teven : 57 tot 65 cm

Gewicht :

Reuen : ca. 30 tot 40 kg

Teven : ca. 25 tot 35 kg

 

FOUTEN :

Elke afwijking van de hiervoor opgenomen raspunten moet als fout worden beschouwd, waarbij de ernst van de fout in verhouding gezien moet worden tot de mate waarin afgeweken wordt, waarbij de invloed van de fout op de gezondheid en het welzijn van de hond betrokken moet worden.

 

ERNSTIGE FOUTEN :

·      Wijd verspreide wolachtige beharing bij de kortharige variėteit

·      Uitgesproken krullende of te dunne beharing bij de langharige variėteit

·      Witte aftekening op andere plaatsen dan borst of poten

·      Behang : Uitgesproken kort of lang, niet gedraaid

·      Rug : Duidelijke doorgezakte of karperrug. Sterk overbouwd

·      Uitgesproken keelhuid (wammen)

·      Sterke krombenigheid of koehakkigheid

·      Grote onregelmatigheden in stand, zoals bijvoorbeeld gebrekkige hoeking, naar buiten gedraaide ellebogen, niet gesloten voeten

 

DISKWALIFICERENDE FOUTEN :

·      Duidelijk afwijkend type. A-typisch geslacht

·      Grove afwijking in proportie

·      Grootte met meer dan 2 cm afwijkend van de rasstandaard.

·      Volledig atypisch, in het bijzonder te zwaar of te licht gebouwd

·      Geheel niet in verhouding

·      Bij het gaan uitgesproken belemmerd

·      Huidmisvormingen en -afwijkingen

·      Gedeeltelijke of volledige kaalheid

·      Beharing ontbreekt op de buik en aan het behang (lederen oren)

·      Afwijkingen in de grijstinten, zoals geelachtig of bruinachtig. Bruine brand

·      Kleur anders dan grijs. Blauwe tint

·      Schedel : Absoluut atypisch

·      Aangezicht : Grote afwijkingen, bijvoorbeeld te sterke lippen, te korte of te spitse vang Naar onderen doorgebogen neusrug

·      Entropion, Ectropion, lichte, alleen geringe en eenzijdige gebreken aan het ooglid

·      Kaak en gebit : Het ontbreken van meer dan twee PM 1 of M 3

·      Borst, buik : Misvormde tonvormige borst, onvoldoende borstdiepte of borstlengte,

·      sterk opgetrokken buik

·      Poten :  misvormd

·      Andere misvormingen

·      Bovenmatig agressief tegen andere honden of mensen, overmatige angstigheid 

·      Duidelijke tekenen van gedragsstoornissen

 

N.B.

·      Reuen dienen twee ogenschijnlijk normaal ontwikkelde teelballen te bezitten, die volledig zijn ingedaald in het scrotum.

·      Bij de fokkerij mogen uitsluitend functioneel en klinisch gezonde, rastypische honden ingezet worden.

 

De wijzigingen zijn vet gedrukt